Een Europees steunfonds mocht het niet heten. Maar Nederland lobbyde begin deze maand wel degelijk voor een plan, waarbij elk land 3 procent van zijn nationale inkomen opzij zou zetten voor directe steun aan de financiële sector.

Vooral voor Duitsland was een dergelijke inzet van staatssteun tien dagen geleden nog een stap te ver. Maar de noodmaatregelen die Europese leiders dit weekend bespraken, komen verdacht dicht in de buurt van het Nederlandse plan.

Maandag kondigden diverse landen miljardeninjecties aan voor de bankensector. Die vallen grofweg in twee delen uiteen. Om het geldverkeer tussen banken op gang te krijgen, stellen staten massaal garanties beschikbaar zodat banken op korte termijn aan geld kunnen komen.

De bedragen die hier rond vliegen lopen in de honderden miljarden. Zo gaat Duitsland voor 400 miljard euro, Groot-Brittannië voor 572 miljard euro, en Frankrijk voor een bedrag tot 320 miljard euro en Nederland voor 200 miljard euro. Dit type steun is nadrukkelijk gericht op de zeer korte termijn.

Daarnaast stellen Europese staten tientallen miljarden beschikbaar. Deels doen ze dat door direct aandelen van banken te kopen of krediet te verlenen. Ook zetten ze fondsen op waarop banken eventueel een beroep kunnen doen. Tegenover kapitaalinjecties van de staat, komt dan invloed van de overheid op het ondernemingsbeleid te staan.

Deze laatste vorm van hulp, staatsdeelname in banken en nationale fondsen voor meer steun, komt overeen met wat de Nederlandse regering begin deze maand al op Europees niveau wilde regelen. Noodvoorzieningen van pakweg 3 procent van het nationale inkomen.

Opvallend aan de plannen die afgelopen week en maandag bekend werden gemaakt, is dat ze aardig in de buurt komen van de 3 procent-norm die Balkenende voorstelde. Nederland zette zelf een grote stap met de nationalisatie van ABN Amro en Fortis Nederland. Kosten: 16,8 miljard euro, circa 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp).

Het Nederlandse steunfonds van 20 miljard euro, dat minister Wouter Bos van Financiën afgelopen donderdag presenteerde, komt neer op 3,57 procent van het bbp. Nederland heeft dus ruimte geschapen om de kapitaalsteun aan banken op te schroeven tot ruim 6 procent van het nationale inkomen.

In Duitsland kondigde de regering maandag aan een fonds van 80 miljard euro op te zetten voor bankensteun. Afgezet tegen het Duitse bruto binnenlands product komt dat neer op 3,3 procent. Dicht in de buurt van het plan Balkenende.

Groot-Brittannië stopte maandag 47 miljard euro in de gedeeltelijke nationalisatie van drie grote banken, en houdt nog zo'n 17 miljard euro beschikbaar voor verdere steun. Kosten: circa 3 procent van het bruto binnenlands product.

Frankrijk is iets bescheidener met een fonds van 40 miljard euro, wat neerkomt op ongeveer 2 procent van het nationale inkomen.

Toch lijkt alles bij elkaar sprake van een typisch Europese oplossing: formeel is het ieder voor zich, en ontbreekt een expliciet uitgewerkt plan. Maar informeel is wel degelijk sprake van een gecoördineerd optreden. Met de 3 procent-norm van Balkenende als losse richtlijn.

Land

Garantie onderling krediet banken

Banksteun (aandelen, krediet)

Bankfonds

Nederland

tot 200 miljard euro

16,8 miljard euro (Fortis NL, ABN Amro)

20 miljard euro

BBP 2007: €567 mrd

35%

3,0%

3,57%

Duitsland

tot 400 miljard euro

20 miljard euro (Hypo Real Estate)

80 miljard euro

BBP 2007: €2.423 mrd

16,5%

0,8%

3,3%

VK

tot 572 miljard euro

47 miljard euro (RBS, Lloyds, HBOS)

17 miljard euro

BBP 2007: €2.047

28%

2,29%

0,83%

Frankrijk

tot 320 miljard euro

geen

40 miljard euro

BBP 2007: €1.892 mrd

17%

x

2,1%

Spanje

tot 100 miljard euro

geen

geen

BBP 2007 €1.051 mrd

9,5%

x

x

Oostenrijk

tot 85 miljard euro

geen

15 miljard euro

BBP: 2007 €271 mrd

31,3%

x

5,5%