Het contrast tussen beurs en economie kan haast niet groter. Zeker in Nederland. Terwijl financiële reuzen als Fortis en ING op de koersborden worden verpletterd, en industriële bedrijven hun beurswaarde zien halveren, werkt Nederland door alsof er weinig aan de hand is.

Niet dat alles koek en ei is in de echte economie. Projectontwikkelaars zitten op zwart zaad en flexwerkers in de auto-industrie zijn minder gewild. Maar dit alles verbleekt bij het bloedbad op de beurs.

Zo op het oog is er ook weinig reden om de beweging van de Amsterdamse AEX-index aan de Nederlandse economie te koppelen.

Om te beginnen zijn veel AEX-fondsen wereldwijd opererende concerns die slechts een beperkt deel van hun activiteiten in Nederland uitvoeren. Een verzekeraar als Aegon is bijvoorbeeld voor driekwart een Amerikaanse bedrijf.

Daarnaast kent de AEX-index een zware oververtegenwoordiging van banken en verzekeraars, die tot een jaar geleden een kwart van de index uitmaakten. Financiële instellingen hadden in 2007 daarentegen een aandeel van zes procent in de toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Toch staan beurs en economie niet helemaal los van elkaar. Neem je bijvoorbeeld de groei van de Nederlandse economie per kwartaal ten opzichte van een jaar eerder en leg je daar de procentuele ontwikkeling van de AEX-index per kwartaal vergeleken met een jaar eerder overheen, dan ontstaat een grafiek met een patroon dat niet geheel willekeurig is. Zie de grafiek: In Beeld: Beurs & Economie.

In de afgelopen twintig jaar waren er twee grote economische dips. De eerste in 1992 en 1993, de tweede in 2002 en 2003. In beide gevallen viel de kwartaalgroei terug van vier procent tot nagenoeg nul.

Bij de dip van 1992 leek de beurs te anticiperen. De AEX-index kreeg in het vierde kwartaal van 1990 en het eerste kwartaal van 1991 koersdaling van pakweg 25 procent voor de kiezen ten opzichte van een jaar eerder. De economische groei bereikte pas anderhalf jaar later z'n laagste punt.

Tijdens de dip van 2002 en 2003 daarentegen vielen de scherpste beurdalingen en de economische teruggang min of meer samen.

Opvallend is verder het verschil in de omvang van de klappen. Terwijl beurspieken- en dalen op jaarbasis uitslagen van veertig tot zestig procent laten zien, varieert de economische groei zo tussen de vier en de nul procent. Een halvering van de beurswaarde komt dan grofweg overeen met een terugval van de kwartaalgroei van vier naar nul procent.

Begin oktober stond de AEX-index 39 procent lager ten opzichte van een jaar eerder. Inmiddels zijn de verliezen nog groter. Als die trend maatgevend is, verdampt de economische groei in 2009. Krimp valt niet uit te sluiten. Die verwachting sprak bestuurder Henk Brouwer van de Nederlandsche Bank twee weken geleden al uit.

Geen groei van de economie heeft uiteraard onprettige consequenties voor de inkomens, bestedingen, pensioenen en hypotheken van burgers. Maar het is een stap terug die in geen verhouding staat tot het dagelijkse drama dat de beurs presenteert.