Let op, niet te hard roepen: benzine wordt goedkoper en fors ook.
Afgelopen vrijdag was het optiecontract waarbij het lucratief is om olie in februari 2009 tegen 30 dollar per vat te verkopen, het meest verhandeld op de termijnmarkt van New York.
Met deze zogenoemde putoptie gokken beleggers erop dat ruwe olie over drie maanden lager dan 30 dollar noteert, dan wel dat de prijs lager is dan de huidige 51 dollar, zodat het optiecontract meer waard wordt.
Ofwel: legio speculanten gokken op een implosie van de olieprijs. De politieke reactie? Doodse stilte.
Toen de olieprijs drie maanden geleden een historisch record van 147 dollar per vat bereikte, en benzineprijzen in Nederland tot boven de 1,55 euro voor een liter ongelood stegen, was dat wel anders.
Wereldwijd laaide de discussie op over de verderfelijke invloed van grondstofspeculanten en oliemaatschappijen die woekerwinsten maakten.
Nu de olieprijs binnen drie maanden met bijna tweederde gezakt is, hoor je drie dingen niet.
1) Het Amerikaanse Congres stelt geen onderzoek in naar de verderfelijke invloed van speculanten die de olieprijs omlaag drijven, en daarmee de benodigde investeringen in duurzame energie in gevaar brengen.
2) In Nederland is geen politicus opgestaan die nu een verhoging van de accijns op benzine en diesel bepleit, omdat burgers wel heel veel profiteren van lagere brandstofprijzen en we zo verslaafd blijven aan olie.
3) Niemand roept op tot fiscale steunmaatregelen voor oliemaatschappijen, omdat het wegsmelten van woekerwinsten bij olieconcerns kan leiden tot te weinig investeringen in toekomstige olie- en gaswinning.
Deze politieke hypocrisie is volstrekt begrijpelijk. Koopkrachtsteun voor burgers als energie duur wordt en het afromen van woekerwinsten van energieconcerns, verkopen politiek nu eenmaal beter dan het omgekeerde beleid - al valt Nederland in deze al jaren op door de relatief hoge heffing op benzineverbruik, die twee derde van de verkoopprijs uitmaakt.
De dollemansrit die de olieprijs dit jaar doormaakt, laat echter goed zien hoe onzinnig het is om fiscaal beleid uit te stippelen op basis van dagprijzen op de oliemarkt. De olieprijs is inderdaad deels onderworpen aan speculatie. Maar dat geldt zowel voor stijgingen als dalingen.
Want stel: de olieprijs zakt binnen enkele maanden inderdaad terug tot 30 dollar per vat, pakweg het niveau van 2006. Zie de grafiek: Olieprijs in achtbaan. Ongetwijfeld zullen er analisten zijn die dat rationaliseren, met een verwijzing naar de wereldrecessie en de afnemende brandstofvraag in de Verenigde Staten en Europa.
Maar even zo goed kun je volhouden, dat de olieprijs van 30 dollar belachelijk is. China en India groeien wellicht tijdelijk iets minder hard. Maar de structurele vraag naar energie bij deze opkomende economieën verdwijnt niet met de kredietcrisis.
Ook de krapte in het fysieke aanbod van olie en gas is nog altijd aanwezig. Het vermogen Saoedi-Arabië, 's werelds belangrijkste olieland, om op afroep de kraan wat verder open of dicht te draaien is nog altijd beperkt.
Een grondige studie naar bestaande olievelden van het westerse energiebureau IEA, toonde afgelopen week aan dat de huidige olievelden sneller dan verwacht uitgeput raken. Als er in 2009 en 2010 niet fors wordt geïnvesteerd in het klaarmaken van nieuwe olievelden, zitten we tegen 2015 met een olietekort van zeven miljoen vaten per dag.
Op dagbasis valt er altijd wel wat aan te merken op de olieprijs. Dat is niet erg, zolang structurele maatregelen van overheden, zoals steun voor de ontwikkeling van alternatieve energietechnologie, niet al te veel afhangen van de grillen van de oliespeculant.
