Want op de beurs gaat het om bedrijven die het grootste deel van hun zaken buiten Nederland doen. Beleggers kijken bijna uitsluitend naar de stroom nieuws en informatie die als een razende over de planeet giert, iedere 24 uur weer.
Het gaat door en door en door
En dat nieuws is tot nu toe niet best. Daar verandert geen stimuleringsplan uit Den Haag iets aan. Maar zelfs een renteverlaging van de ECB of een uitgeefbonanza van honderden miljarden dollars door Obama of de Chinese president Jiabao maken nauwelijks indruk op de financiële markten.
Dat is niet zo gek. Beleggers laten zich doorgaans adviseren door mensen die maar één belang hebben, en dat is de beleggers zoveel mogelijk rendement bezorgen – of de verliezen beperken.
Koortsige economie
Het draait dus voor de volle honderd procent om de vraag: ‘Waar zit het geld?’ Daaruit vloeit voort: ‘Welke bedrijven gaan het de komende tijd beter doen?’ En in die laatste vraag zit de crux.
Het antwoord op de vraag is dat bijna geen enkel bedrijf het voorlopig beter zal gaan doen. Want veel beleggers weten al een tijdje wat de president van De Nederlandsche Bank, Nout Wellink, afgelopen vrijdag zei, maar wat eigenlijk niemand wil horen: het zal voorlopig slecht blijven gaan, en daar verandert geen stimuleringsplan iets aan.
Wellink vergeleek de huidige situatie met iemand die de griep heeft. Een griep komt met zware symptomen die nogal eens van aard veranderen, maar zeker is dat het gewoon uitgeziekt moet worden.
Nog teveel 'slecht geld'
En zo is het. De kredietcrisis suddert nog steeds door, in die zin dat de wereld er nu achter komt dat teveel bedrijven hun lopende zaken financierden met teveel geleend geld.
Vergelijk de bedrijven met heteluchtballonnen die met touwen aan elkaar vastgebonden zijn. Pas nu de hete lucht uit de ballonnen gespoten is, blijkt hoe hoog sommige ballonen gestegen waren. Die begonnen te vallen, en trekken de rest mee. En door de hoogte wordt de landing des te harder, ongeacht hoeveel ballast de bedrijfsleiding dumpt.
Vraag het General Motors en al zijn toeleveranciers maar.
Feit is dat de totale, op papier uitgeleende geldhoeveelheid vele male groter is (was?) dan de totale, feitelijk aanwezige geldvoorraad. Dan kun je als overheid geld blijven pompen, zo veel geld als er op schuldbriefjes uit stond kun je niet bijdrukken zonder een astronomische inflatie te veroorzaken.
Soberheid troef
De volgende realisatie zal ongetwijfeld zijn dat de bomen de komende jaren niet meer zo hoog zullen reiken als zij de afgelopen 10 jaar deden. Want als bedrijven een deel van hun operaties met geleend geld financierden en er nu veel minder geld voorradig is, betekent dit bijna automatisch dat ze gaan inkrimpen.
Dat betekent minder afname van producten en diensten van toeleveranciers, die daarop inkrimpen, en zo verder.
En dit zal voorlopig structureel van aard zijn, want in tegenstelling tot de internet-bubble en de huizen-bubble, die in elkaar overgingen, zit de pijn dit keer bij de bron van het bubblegeld, de banken. Als die geen geld meer steken in de volgende bubble, houdt het op – en banken stoppen nu even niks ergens in, want ze zitten zelf op zwart zaad.
Daar het de afgelopen jaren bleek dat de wereld een bubble nodig had om hoge economische groei te realiseren, zal die groei de komende jaren mager zijn. Daar veranderen Obama, Jiabao, Putin, Merkel, Brown en Balkenende helemaal niets aan.
Klappen vangen
Al wat zij kunnen doen is proberen de klappen voor iedereen wat te verzachten door geld te steken in de sociale vangnetten, zoal die er al zijn, en simpelweg wachten tot de economie weer aantrekt.
Neem Obama's plan om 3,5 miljoen banen te behouden of te creëren in de VS. Twee maanden geleden was dat nog een ambitieus streven, maar nu de werkloosheid alweer 4,4 miljoen Amerikanen treft, lijkt het eigenlijk achterhaald.
Alleen voor hun schadebeperkingsplan zal iedereen, behalve de beleggers, uitkijken naar wat Balkenende, Bos en Rouvoet vrijdag te melden hebben.
Uit dit alles valt overigens wel één voordeel te destilleren. Als er geen bubble meer komt, zullen we tenminste kunnen zien hoe de wereldeconomie er wérkelijk voor staat.
