Een ding weten we zeker sinds de crisis: het Chinese beleid om de eigen munt kunstmatig goedkoop te houden, destabiliseert de wereldeconomie. Het maakt de Chinese producten goedkoop, het buitenland duur en is zo een belangrijke oorzaak van het grote tekort op de Amerikaanse handelsbalans.

China is de fabriek van de wereld geworden omdat er zo goedkoop geproduceerd kan worden. Maar dat is geen toevalligheid. De Chinese autoriteiten hebben er met hun agressieve wisselkoersbeleid eigenhandig voor gezorgd.

Kredietgroei
Om stijging van de yuan te voorkomen moet de Chinese overheid continu dollars opkopen, en die vervolgens beleggen op de kapitaalmarkten van de Verenigde Staten. Zonder dat overschot aan dollars was de rente in de VS in de jaren voor de crisis niet zo laag geweest, en was ook de kredietgroei in dat land nooit zo uit de hand gelopen.

Het verhaal van het ontstaan van de kredietcrisis kan dus net zo goed beginnen bij het wisselkoersbeleid van China, als bij de subprime-hypotheken van de Amerikanen.

Manipulatie van de munt
Geen wonder dat Amerikaanse politici al enige jaren protesteren tegen het goedkope-yuan-beleid van China. Begin dit jaar nog riep de kersverse minister van Financiën Tim Geithner China op om de ‘manipulatie van de munt’ te staken. Een oproep die slecht viel bij de regeringsfunctionarissen daar.

Zij wezen erop dat de teugels al enkele jaren werden gevierd in China. Sinds midden 2005 is de yuan niet meer gekoppeld aan alleen de dollar, maar aan een mandje van valuta, waarin ook de euro, de yen en de Zuid-Koreaanse won zitten.

En de vaste wisselkoers van de yuan ten opzicht van dit mandje – en dus ook ten opzichte van de dollar – mag langzaam stijgen. De Chinese munt steeg van 0,12 dollar per yuan in 2005 tot ruim 0,14 dollar in de zomer van 2008, een appreciatie van meer dan vijftien procent.

Dat was niet genoeg om het handeloverschot van China zichtbaar te verminderen, maar zonder de waardestijging van de yuan waren de handelsstromen nog onevenwichtiger geweest.

Kunstmatig voordeel
Het had er in elk geval de schijn van dat de Chinese autoriteiten van plan waren om het spel op termijn eerlijker te spelen. In plaats van het najagen van een kunstmatig concurrentievoordeel, ten koste van de koopkracht van de eigen bevolking – want de goedkope yuan houdt buitenlandse producten voor de Chinees kunstmatig duur – zou het Chinese handelsbeleid op een rationelere leest geschoeid worden. Allemaal op termijn, natuurlijk, want zo snel als de Chinese economie zich ontwikkelt, zo langzaam verandert het beleid.

Maar toen de kredietcrisis in de vijfde versnelling schakelde, in september 2008, waren de Chinese beleidsmakers al hun goede voornemens op slag vergeten. Er is geen officiële wijziging van het wisselkoersbeleid aangekondigd, maar de koersontwikkeling van de yuan spreekt boekdelen.

In beton gegoten
De afgelopen elf maanden is de koers van de yuan ten opzichte van de dollar weer als in beton gegoten. Eén yuan kost 14 dollarcent, nooit meer en nooit minder. De afgelopen paar maanden kwam de wisselkoers op dagbasis nauwelijks meer dan een honderdste van een dollarcent van zijn plaats. Officieel geldt nog altijd de koppeling aan het valutamandje, en is ook het beleid van langzaam stijgende yuan niet losgelaten. Maar in wekelijkheid zijn we terug bij het starre beleid van voor de zomer van 2005.

China’s exportsector heeft zwaar te lijden onder de wereldwijde crisis. De uitvoer van het land ligt bijna een kwart lager dan een jaar eerder. Fabrieken staan stil en arbeiders worden naar huis gestuurd.

De volgende crisis
Onder deze omstandigheden wint het korte termijn eigenbelang het weer bij de Chinese leiding. Hou de yuan goedkoop en de export zal weer stijgen. Dat daarmee de onevenwichtigheden in de wereldhandel verergeren en de kiem wordt gelegd voor de volgende kredietcrisis, speelt blijkbaar even geen rol.