Het SER-overleg over verhoging van de AOW is mislukt. De bal ligt nu bij het Kabinet. Minister Piet Hein Donner van Sociale Zaken kan nu zijn eigen plannen naar de Kamer sturen.
Daar zal hij een wonderlijke alliantie van PVV, SP en mogelijk wat PvdA-dissidenten tegenover zich vinden. De tegenstanders zijn al maanden bezig om hun schuttersputjes te graven, van waaruit ze de AOW-plannen op de korrel gaan nemen.
Niet aan de bak
Een van hun belangrijkste wapens: de stelling dat ouderen nu al geen werk kunnen vinden. Er is bij de bedrijven geen vraag naar nog meer ouderen. Verhogen van de AOW-leeftijd zorgt alleen maar voor meer werkloze ouderen, niet voor meer werknemers.
Op de website 65blijft65.nl schrijft de SP: “Ouderen komen nu al niet aan de bak. Vooral voor werklozen tussen de 50 en 65 is het erg lastig om nog aan het werk te komen. Van de 64-jarigen werkt nog maar 13 procent.”
Dat klinkt overtuigend. Maar de onderliggende cijfers vertellen een heel ander verhaal. De participatie van ouderen op de arbeidsmarkt is niet laag omdat er zoveel werkloos zijn, maar omdat de meerderheid niet meer wil of hoeft te werken.
Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek telde Nederland in 2008 iets meer dan twee miljoen inwoners tussen 55 en 65 jaar. Daarvan werkten er slechts 937 duizend meer dan 12 uur per week – dat is minder dan de helft.
Niet werken en niet werkloos
Was de rest werkloos? Welnee. Ongeveer 1,1 miljoen – ruim meer dan de helft – behoorde tot wat het CBS noemt ‘de niet-beroepsbevolking’. Dat zijn mensen die niet werken, maar ook niet willen, hoeven of kunnen werken.
Die groep bestaat naast 250 duizend volledig arbeidsongeschikten, uit renteniers, huisvrouwen, vutters, pre-pensioeners, mensen met een nabestaandenpensioen, et cetera. Ook de 122 duizend 55-plussers die tevreden zijn met hun baantje van minder dan 12 uur per week horen bij de niet-beroepsbevolking.
Slechts 46 duizend mensen in de leeftijd tussen 55 en 65 waren volgens de definitie werkloos. Zij waren beschikbaar voor een baan van meer dan twaalf uur per week en er actief naar op zoek. (zie In beeld: Weinig ouderen werkloos)
Statistische anomalie
De enorme hoeveelheid ouderen die niet bij de beroepsbevolking worden meegeteld, zorgt voor een statistische anomalie, die de tegenstanders van een hogere AOW ten onrechte in de kaart speelt.
Er zijn 937 duizend werkende 55-plussers en 46 duizend werklozen. De beroepsbevolking is dus 983 duizend. Volgens de standaard definitie is het werkloosheidspercentage (werkloosheid gedeeld door beroepsbevolking), komt dat percentage voor de groep tussen 55 en 65 jaar uit op 4,6 procent.
Het algemene werkloosheidspercentage bedroeg in 2008 3,9 procent, dus de conclusie dat ouderen moeilijk aan de bak komen lijkt gerechtvaardigd.
Maar in deze sommen worden de 1,1 miljoen inactieve ouderen van de niet-beroepsbevolking gemakshalve vergeten. Tel je die wel mee, dan ziet het plaatje er heel anders uit.
Het percentage werkloze Nederlanders tussen 55 en 65 jaar bedraagt dan slechts 2,2. Dat is veel minder dan de 2,8 procent die voor de bevolking als geheel geldt, en minder dan enig andere leeftijdcategorie. Juist onder ouderen is het percentage werklozen dus het laagst.
Weigerachtige werkgevers?
Wat valt uit deze cijfers te concluderen? In elk geval dat het probleem van de lage arbeidsmarktparticipatie van 55-plussers niet in de eerste plaats te wijten is aan weigerachtige werkgevers.
Verreweg de meeste ouderen zonder werk bieden zich helemaal niet aan op de arbeidsmarkt. Het is eerder een kwestie van het aanbod dan van de vraag.
Dat slechts 13 procent van de 64-jarigen werkt, zoals de SP stelt, komt niet omdat er geen ruimte voor hen zou zijn op de arbeidsmarkt. Dat kun je in elk geval puur op basis van dat percentage met geen mogelijkheid concluderen.
