Honderd dollar voor een vat olie. Dat roept onmiddellijk associaties op met dure benzine en een hoge energierekening. Maar in een markteconomie kun je ook een positieve draai geven aan prijzen die de pan uit rijzen. Die geven een prikkel om meer te investeren zodat het aanbod wordt verruimd.

Dat is meteen ook de enige zekerheid die de oliemarkt kent. Als er de komende vijf jaar miljarden worden gepompt in het productieklaar maken van nieuwe olievelden, kan het einde van het olietijdperk nog met tientallen jaren worden uitgesteld.

Voor het overige is het koffiedik kijken. Gaan we naar de 150 dollar voor een vat olie of halveert de prijs straks weer? Alles is denkbaar. Geen enkele expert weet echt in hoeverre de olieprijs wordt gedreven door speculatieve factoren dan wel fundamentele schaarste.

Relatief onbenullige berichten over politieke onrust in olieland Nigeria gaven volgens handelaren het laatste duwtje dat de olieprijs woensdag boven de honderd dollar zette.

De afgelopen maanden is de stijging van de olieprijs ook veelvuldig in verband gebracht met de verzwakking van de dollar. Beleggers die zich willen indekken tegen de waardedaling van de dollar, zouden er baat bij hebben als de olieprijs in dollars stijgt. Kortom, pure speculatie.

Aan de andere kant maken berichten over de internationale kredietcrisis en de verzwakking van de Amerikaanse economie weinig indruk op oliehandelaren. Voorlopig geen zorgen dat een dreigende recessie de vraag naar olieproducten dempt.

Los van de kortetermijnfactoren die de olieprijs in beweging brengen, zijn er serieuze aanwijzingen dat de oliemarkt structureel met grote spanningen kampt. Sinds 2002, toen Amerikaanse olie twintig dollar per vat kostte, is de prijs vier keer over de kop gegaan.

Er zit voorlopig genoeg olie in de grond, maar het westen wordt in hoog tempo afhankelijker van voorraden uit de traditionele olielanden in het Midden-Oosten, Afrika en Zuid-Amerika.

Juist daar blijven investeringen in de ontwikkeling van nieuwe olievelden achter. Niet in de laatste plaats omdat overheden in landen als Saudi-Arabië druk voelen om te investeren in andere economische activiteiten dan de o, zo dominante olie-industrie.

Terwijl het aanbod van ruwe olie mondjesmaat toeneemt, zet de stijging van de mondiale energievraag stevig door. Vooral door de opkomst van de nieuwe economische grootmachten China en India.

De energiebehoefte van China en India klimt inmiddels zo snel dat het energiebureau IEA vreest dat de investeringen in nieuwe olievelden de vraag niet kunnen bijbenen. Als olieproducenten niet razendsnel hun productiecapaciteit opvoeren, dreigt binnen acht jaar daadwerkelijk een olietekort.

Westerse landen kunnen hier weinig tegen doen, want de eigen olievoorraden in Noord-Amerika en de Noordzee raken langzaam maar zeker op.

Tot tien jaar geleden kon Saudi-Arabië, dat een kwart van de mondiale oliereserves bezit, met gemak de kraan wat verder opendraaien als er tekorten dreigden. Deze zogenoemde reservecapaciteit is echter flink geslonken. De Saudi's geven buitenstaanders weinig inzicht in het reilen en zeilen van de eigen olie-industrie. Dat doet sommige analisten vermoeden dat de werkelijke omvang van de Saudische reserves kleiner is dan officiële cijfers suggereren.

Omdat vraag en aanbod op de oliemarkt elkaar nog maar net in evenwicht houden, zijn handelaren zeer gevoelig voor alles dat wijst op mogelijke marktverstoringen: kleine veranderingen in de bovengrondse, westerse olievoorraden, politieke conflicten in Nigeria en Midden-Oosten of slecht weer in de olierijke Golf van Mexico.

Het niveau van honderd dollar per vat markeert niet alleen een absoluut hoogtepunt. Ook als rekening wordt gehouden met de invloed van de inflatie bevindt de olieprijs zich op recordhoogte. Voor Amerikanen doet de hoge olieprijs evenveel pijn in de portemonee als in 1980 het geval was.

In Europa biedt de sterke euro enige verlichting. Die zorgt ervoor dat olie die in dollars wordt betaald, gunstiger kan worden ingekocht.

Mede door de sterke euro steeg de benzineprijs de afgelopen maanden minder hard dan de prijs van ruwe olie. Voor een liter euro ongelood betalen automobilisten dezer dagen nog net iets minder dan de 1,55 euro die in september 2005 op de borden van de pompstations prijkte.

Toch is er geen ontkomen aan. Het kan een paar maanden duren, maar als de ruwe olieprijs rond de honderd dollar per vat blijft hangen, volgen ook in Europa topprijzen voor benzine. En dan maar wachten tot de miljardeninvesteringen in nieuwe olievelden verlichting bieden.