Bill en Melinda Gates zijn natuurlijk de meest bekende filantropen. Bill is al jarenlang de rijkste man op aarde. Zijn vermogen, door het Amerikaanse zakenblad Forbes geschat op 56 miljard dollar, is ruim voldoende om meer dan de helft weg te kunnen geven.

Behalve de Gates zijn er genoeg mensen met veel geld die graag goede doelen steunen. Om de donaties te kunnen sturen, richten ze vaker hun eigen stichtingen en organisaties op. Amerikanen hangen daar meestal hun eigen naam aan, terwijl Nederlanders anoniemer goed doen.

Voordeel van een eigen organisatie is uiteraard, dat men controle heeft over de bestedingen en zo gerichte doelen kan verwezelijken. Op deze manier zorgt bijvoorbeeld de meesterbelegger Warren Buffett ervoor dat zijn enorme vermogen toch binnen de familie blijft: zijn donaties gaan naar goede doelen die familieleden hebben opgericht.

Particuliere stichtingen krijgen wel wat voor elkaar. Autoriteiten komen in beweging als beroemdheden de publieke opinie bespelen. En geld trekt geld aan: rijken zijn goede fondsenwervers.

Vermogende zakenlieden passen recepten uit hun ervaring in het bedrijfsleven graag toe op hun goede doelen. Dat betekent een geoliede organisatie, met duidelijke doelen. Ze kiezen daarom vaak voor een enkel thema (water, malaria, lepra), in plaats hun geld te versnipperen over tientallen zaken.

Voor de voorbeelden: zie de diaserie.

Wat krijgen de gulle gevers terug? Een bevredigend gevoel, fiscale voordelen, een beter imago en heel veel dank van de mensen voor wie ze het doen. Bekijk maar op micro-niveau de foto’s van alle dankbare hulpbehoevenden op bijvoorbeeld www.turingfoundation.com en resultaten op www.kavlifoundation.org.