Dat schrijft Het Financieele Dagblad maandag 26 oktober.

Janssen promoveert op 3 december in Enschede op zijn onderzoek naar het management van ontwikkelingshulp bij Buitenlandse Zaken onder de hoede van minister van Ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders.

Binnenlands prijspeil
De geldstroom zorgt ervoor dat in de meeste landen beneden de Sahara, uitgezonderd Zuid-Afrika, circa 10 procent van het bruto nationaal inkomen (bni) afkomstig is uit hulp.

Als het buitenlandse geld wordt omgezet in lokale valuta's, leidt dit ertoe dat de wisselkoers van nationale munten stijgt en het prijspeil toeneemt. Dit drukt binnenlandse producenten van artikelen en voedsel uit de markt en ondermijnt de lokale economie. Eerder wees onder meer het Internationaal Monetair Fonds ook al op deze problematiek.

Dit fenomeen staat bekend als de 'Dutch disease'. Het verschijnsel openbaarde zich voor het eerst duidelijk in ons land toen door de aardgasbaten de industrie deels uit de markt werd gedrukt.

Wortelen Mozambique even duur als hier
"Die tien procent is enorm hoog", stelt Janssen. "Dat percentage heeft Nederland nooit gehaald." Hij wijst erop dat in Mozambique de instroom van hulp al op 26 procent van het bni ligt.

Daar komt nog eens bij dat nu op grote schaal bauxiet wordt gewonnen en er dus nog meer buitenland geld binnenkomt. "Op de markt sta je versteld, een bos wortelen is minstens zo duur als hier, terwijl de prijzen in India drie keer lager zijn. Het effect is dat, behalve bauxiet, straks niets wordt geëxporteerd. Er ontstaat dus geen maakindustrie en geen werkgelegenheid, zoals in China."

Hulpgeld houdt Afrika arm
Janssens conclusie is dat de grote hulpstroom Afrika arm houdt. Het middel is erger dan de kwaal. Volgens hem moeten de hulpgelden drastisch worden beperkt en moet het accent verschuiven naar niet-financiële hulp, zoals de overdracht van kennis die mensen helpt een inkomen te verdienen.

Het probleem verergert bovendien door de sociale cultuur, stelt hij. In Ghana wordt de hulp slechts gedeeltelijk omgezet in de lokale munt. De nadelige effecten worden zo gereduceerd. Janssen: "Dat is helaas meestal niet het geval." De meeste Afrikaanse machthebbers leven in een systeem van cliëntelisme. Eenmaal aan de macht wordt uitgedeeld aan volgelingen, familie en geboortestreek. De hulp slaat neer in projecten die niet tot welvaartsverbetering leiden.

Daar wordt veel te weinig rekening mee gehouden, stelt de promovendus. "Pas als een middenklasse opkomt zoals in Zuid-Korea zie je op de internationale ranglijsten de corruptie afnemen. In Afrika is dat nog lang niet voor elkaar en dat lukt zeker niet met hulp."

Staten in Afrika nog te jong
Janssen noemt de problemen inherent aan de jonge historie van staatsvorming in Afrika. Er zijn geen sterke overheden, maar lappendekens van dorpen en stammen. "Afrika staat vol met in elkaar gestorte projecten. Elders wordt hulp ook afgeroomd, maar wordt het resterende deel beter gebruikt."

Janssen wijst erop dat als in Indonesië wegen worden aangelegd, ze beter worden onderhouden. In Afrika maakt de sociale structuur dit lastig, doordat overheden zich niet verantwoordelijk voelen. Dit geldt zelfs voor simpele waterpompen, die na vijf jaar aan vervanging toe zijn. Die moeten door de gemeenschap worden onderhouden, maar daar is onvoldoende vertrouwen en saamhorigheid voor. Ook ontbreekt het geld.

Minder geld, meer kennis
Projecten moeten volgens hem gericht zijn op de overdracht van kennis en organisatie. Janssen noemt Mali als voorbeeld. Begin jaren tachtig is daar met Nederlandse steun een irrigatiesysteem langs de Niger aangelegd. Er werd training gegeven voor het gebruik van kunstmest en het irrigatiesysteem zelf.

Het verantwoordelijke staatsbedrijf werd geprivatiseerd en boeren kregen zeggenschap over het gebruik van de irrigatieheffingen. Het onderhoud verbeterde en de oogst verzesvoudigde in twintig jaar. Van voedselimporteur werd Mali netto-exporteur.

Janssen: "Maar dat type hulp vindt steeds minder plaats. Het Nederlandse geld gaat naar non-gouvernementele organisaties en andere hulppartners en Den Haag toetst of de projecten aan de eisen voldoen. Dat gebeurt op basis van gegevens die dezelfde organisaties aanleveren. Er is geen directe controle op de uitvoering."

Geen vrolijke conclusie
Janssen is zelf niet blij met zijn bevindingen. "De wetenschappelijke blik dwong me de laatste vijf jaar aan alles te twijfelen. Soms wenste ik dat ik er niet aan was begonnen, maar ik wilde het helder krijgen. Ik heb dit wegens het vaak bedroevende effect van de hulp gedaan, maar ook uit idealisme."

Op de vraag of naar hem geluisterd wordt, antwoordt hij: "Meestal niet". "Laatst was ik op een congres en kon ik spreken. Daar was enige ruimte voor, al is het geen prettige rol als brenger van slecht nieuws. Men blijft gevangen in de Millenniumdoelen of klimaatdoelstellingen. Dat zijn echter zaken die hier zijn uitgedacht en die zich te weinig richten op de economische verbetering die nodig is om armoede uit te bannen en sociale structuren te veranderen. Het huidige systeem van ontwikkelingshulp is een supertanker en die zijn heel moeilijk bij te sturen."