In de zomer van 2011 werd het onrustig in Italië en Spanje: rentes voor staatsleningenschoten omhoog. Daarna kwam ook Frankrijk onder druk te staan, en tot slot bereikte de onrust over de Europese schuldencrisis ook de euro zelf.
Die werd tussen eind oktober en december 2011 fors minder waard tegenover de dollar. Kreeg je voor een euro ruim twee maanden geleden nog 1,42 dollar, eind december was de koers gezakt tot 1,27 dollar per euro. De afgelopen dagen leefde de euro weer iets op.
Economen en beleggers houden de euro in verband met de schuldencrisis scherp in de gaten. Maar fundamenteel is er weinig aan de hand. Ten minste, als je afgaat op de Big Mac Index.
Weekblad The Economist publiceerde donderdagavond de meest recente versie van zijn simpele methode om te kijken of munten relatief duur of goedkoop zijn.
Hamburgermeter
De Big Mac Index gaat uit van het principe van de koopkrachtpariteit: vergelijkbare producten moeten, gecorrigeerd voor valutakoersen, in verschillende landen even duur zijn.
De gemiddelde prijs van een Big Mac-hamburger lag in de Verenigde Staten begin januari op 4,20 dollar. Neem je de gemiddelde prijs van een Big Mac in de eurozone en reken je die tegen de wisselkoers van 11 januari 2012 om naar dollars, dan kostte een Big Mac uit de eurozone 4,43 dollar.
Een euro-Big-Mac was eerder deze week dus gemiddeld 0,23 dollarcent duurder dan een Amerikaanse. Anders gezegd: de euro is nog steeds licht overgewaarderd ten opzichte van de dollar. Als de euro vijf procent zakt, is een Europese Big Mac precies even duur als een Amerikaanse.
Op basis van de Big Mac-index is vooral de Zwitserse frank peperduur. Omgerekend kost een Zwitserse Big Mac 6,81 dollar. Daarmee is de Zwitserse frank theoretisch liefst 62 procent overgewaardeerd.
Uiteraard is de Big Mac-index slechts een indicator die vooral op de lange termijn voorspellende waarde zou moeten hebben. Maar in hamburgerland is er geen reden voor paniek over de euro.
Lees ook:
