De kans dat Nederland de toppositie in Europa is kwijtgeraakt is nul. Woensdag publiceert het CBS de nieuwe cijfers over werken in deeltijd, maar bij de vorige meting waren de percentages zo uitzonderlijk hoog – daar komt geen land bij in de buurt.

Volgens die meting heeft maar liefst 45 procent van de Nederlandse werknemers een deeltijdbaan. Nummer twee, Noorwegen, blijft steken op 28 procent. Het Europese gemiddelde is 18 procent.

Onder vrouwen is de situatie nog schever. In Nederland werkt 75 procent van de werkende vrouwen in deeltijd. In Europa is dat gemiddeld 33 procent.

Pallets vol onderzoeken zijn er al verschenen om dit fenomeen te verklaren. En om er iets aan te doen. Want als we arbeidsschaarste in de nabije toekomst willen voorkomen, moet de gemiddelde werkweek langer worden.

Het huidige kabinet heeft ook weer een commissie benoemd die met voorstellen moet komen om dit te bereiken. Onder leiding van tv-presentatrice Pia Dijkstra zal deze ‘Taskforce DeeltijdPlus’ naar nieuwe manieren zoeken om vrouwen aan te sporen meer uren te maken.

Een zware opdracht, want gewoontes zijn hardnekkig. Begin dit jaar publiceerde het Centraal Planbureau (CPB) een studie naar deeltijdwerk in Nederland. Daaruit blijkt dat de gemiddelde werkweek van werkende vrouwen de afgelopen decennia niet is veranderd. In de jaren zeventig werkten vrouwen met een baan gemiddeld 26 uur per week. Dat is nog steeds zo.

De jongste generatie werkende vrouwen lijkt zelfs minder geneigd te zijn voltijds te werken dan hun moeders. De onderzoekers concluderen dan ook dat ‘het gemiddelde aantal uren dat een vrouw werkt in de nabije toekomst niet zal stijgen’. Tenzij, zo schrijven zij, ‘er een substantiële verschuiving in de sociale normen plaatsvindt.’

Het huidige kabinet lijkt die verschuiving vooral te willen bewerkstelligen door kinderopvang beter bereikbaar te maken – al komt men daar door kostenoverschrijdingen al weer een beetje van terug.

Probleem met die aanpak is dat ook vrouwen zonder kinderen relatief weinig uren maken, zo becijferde de Raad voor Werk en Inkomen vorig jaar. Blijkbaar zit het deeltijddenken dieper dan de praktische problemen rond kinderopvang.

Hoe verander je zulke ingebakken gewoontes? Misschien wel via de portemonnee. Mensen zijn uiteindelijk pragmatische wezens. De norm volgt vaak het geld. Het taboe op genetische gemodificeerde maïs verdwijnt als de voedselprijzen stijgen. Dure benzine maakt kleine auto’s tot statussymbool.

Maak langer werken financieel aantrekkelijker en de voltijdbaan wordt de norm. Op dit moment is het in Nederland erg goedkoop om minder te gaan werken. Vooral voor mensen met een bovenmodaal inkomen.

Bij een marginaal belastingtarief van 52 procent, kost een dagje minder werken de belastingsdienst zelfs meer dan de werknemer zelf. Dat is een extra dag vrij voor minder dan de halve prijs. Het progressieve belastingstelsel werkt als een deeltijdsubsidie.

De oplossing ligt voor de hand: verlaag de marginale belastingtarieven, en vrije tijd wordt duurder.

Mensen hebben nog altijd de vrije keus om weinig uren te maken, maar betalen daar wel een eerlijke prijs voor. Wedden dat na verloop van tijd ook het typisch Nederlandse taboe op de voltijd werkende moeder verdwijnt?