In de Verenigde Staten is een ondernemer met een faillissement achter zijn naam geen paria. Integendeel: investeerders én banken zien zo’n ondernemer als ervaringsdeskundige, die voorzichtiger dan een starter met geld om zal gaan.

In Nederland is dat anders. Hoewel dat wellicht gaat veranderen. Een studie uit begin 2011 van de Europese Commissie pleit hevig voor het geven van een tweede kans aan bonafide ondernemers die na een faillissement opnieuw een bedrijf willen starten.

Dezelfde studie besteedt overigens ook volop aandacht aan het voorkómen van een failissement. Zo pleit ze voor zogeheten ‘early warning systems’: signalen om de ondernemer op tijd te waarschuwen dat zonder ingrijpen een faillissement dreigt.

Goed debiteurenbeheer is bijvoorbeeld cruciaal. En, zo concludeert de studie, en het helpt als overheidsorganisaties hun rekeningen op tijd betalen.

Als een faillissement toch onvermijdelijk lijkt, moet een ondernemer goed nadenken over het vervolg. Is het faillissement het gevolg van domme pech met een grootafnemer die niet betaalde, of kaapte een Aziatische concurrent klanten weg? Of was de overhead te groot en kon niet op tijd op kosten worden bespaard?

Als interne factoren debet zijn aan het faillissement, kan een doorstart zinvol zijn. Je kunt als het ware opnieuw beginnen, zonder de fouten van weleer. Met misschien een kleiner pand, minder werknemers en een betere organisatie.

Maar de garantie daarop heb je niet, want als je eenmaal falliet verklaard bent, heeft de curator het voor het zeggen. Hij (of zij) bepaalt wat er gebeurt na een faillissement – als voormalige directie heb je niets meer te vertellen.

Maar je hebt als ondernemer van een failliet bedrijf wél een kennisvoorsprong op eventuele andere gegadigden voor een doorstart. En dus kun je sneller handelen. Iedere curator is blij met snelheid, omdat elke dag dat een failliet bedrijf niet doorstart, de kans kleiner wordt dat een nieuw begin een succes wordt. En daarmee neemt de kans ook af dat de schuldeisers nog iets van hun vorderingen terugzien.

Wie dus ziet dat een faillissement onafwendbaar is, maar tegelijkertijd mogelijkheden voor een doorstart bespeurt (bijvoorbeeld omdat de orderportefeuille er wel degelijk goed uit ziet), doet er verstandig aan zelf faillissement aan te vragen. En open kaart te spelen naar alle schuldeisers, van bank tot leveranciers. En de klanten uiteraard.

Een curator zal dat ook waarderen.

Pas uiteraard wel op met het onttrekken van geld of andere middelen uit een onderneming, vlak vóór een faillissement. Dat heet paulianeus handelen en is absoluut verboden.

Ook voor ondernemende werknemers kan een faillissement een kans betekenen. Ging het bedrijf ten onder aan mismanagement? Gaf de directeur zichzelf een te groot salaris en dito auto, maar kent het bedrijf wel goede producten en tevreden afnemers? Dan kan een doorstart wederom een kans zijn. Niemand kent het bedrijf immers beter dan de werknemers zelf.

Of je nu als voormalige directeur of als werknemer een doorstart overweegt, bepaal wel vooraf de succesfactoren: welke werknemers zijn essentieel? Welke klanten? Welke leveranciers? Wat zal de concurrentie de markt vertellen of het faillissement? En wat zijn je eigen sterktes en zwaktes geweest vóór het faillissement?

Zolang een faillissement in Nederland zo’n negatief stempel heb, loop je forse risico’s. Maar wie zichzelf kent én zijn markt, kan na een faillissement soms voor een prikkie een bedrijf met grote potentie overnemen.

Lees ook:

Bekijk hier de laatste faillissementen
Wat kan of mag de curator?
Veiling failliet bedrijf: top of flop