Wie denkt aan verplaatsing van de eigen productie vanwege de zucht naar lage kosten, denkt bijna automatisch aan China.

Maar dat is straks wellicht verleden tijd, want er is een nieuwe trend zichtbaar: Nederlandse bedrijven die juist weer uit Azië wegtrekken en teruggaan naar Europa.

Het gaat nog niet met honderden tegelijk, maar meer en meer Nederlandse bedrijven in het kleine- en middelgrote segment vinden het om meerdere redenen opportuun om hun producten te laten maken door Polen, Tsjechen, Roemenen, Bulgaren en - ook steeds populairder - Oekraïners.

En dus niet meer door Aziaten, en dan met name Chinezen.

Eén van de belangrijkste redenen is het kostenplaatje. Het transporteren van goederen vanaf de andere kant van de wereld naar Europa wordt steeds duurder dankzij stijgende brandstofprijzen.

China heeft nog steeds hele lage lonen, maar de stijgende brandstofprijzen beginnen dat loonkostenvoordeel teniet te doen, bevestigt Maarten van Dam van consultancy Eunite, die de trend onderschrijft. Eunite begeleidt bedrijven die onderdelen willen vestigen in Centraal- en Oost-Europa.

"Heel generaliserend kun je stellen dat de transportkosten langzaam aan hun invloed beginnen te hebben op de beslissingsvorming bij bedrijven", stelt Van Dam.

Een medewerker van het Nederlands Centrum voor Handelsbevordering (NCH) onderschrijft ook de tendens.

"Wij merken dat wel meer bedrijven overwegen Azië te verruilen voor Oost-Europa. Naast de kosten spelen ook de vergelijkbare culturen een rol, evenals de communicatie, die toch makkelijker is met Europeanen."

De nabijheid van de afzetmarkten, en dat ook afgezet tegen de transportkosten, zijn ook volgens het NCH belangrijke factoren.

Maar volgens Van Dam spelen er meer redenen, zoals de onbetrouwbaarheid van Chinese toeleveranciers.

Hij hoort steeds vaker verhalen van Nederlandse ondernemers die zeggen dat ze niet kunnen vertrouwen op toezeggingen van Chinezen.

"Een Chinees bedrijf zegt bijvoorbeeld toe een bepaald product op een bepaalde datum af te leveren. Vervolgens gebeurt dat gewoon niet", verduidelijkt Van Dam.

Met toeleveranciers in Centraal- en Oost-Europese zeggen Nederlandse ondernemers veel beter afspraken te kunnen maken.

Daar komt bij dat het opleidingsniveau en de professionalisering van arbeiders in Centraal- en Oost-Europese landen toenemen.

De loonontwikkeling blijft vooralsnog achter bij de stijging van het kennisniveau en dat betekent dat de lonen in die landen naar verhouding laag zijn, meent Eunite's Van Dam.

Het stijgende kennisniveau op het gebied van informatie-technologie heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat Nederlandse bedrijven met minder personeel toekunnen in Centraal- en Oost-Europese landen.

"Bedrijven kunnen hierdoor steeds vaker gebruik maken van geautomatiseerde productieprocessen, waar je minder personeel voor nodig hebt."

Vooral op het management-niveau worden Centraal- en Oost-Europese medewerkers steeds beter. "Daar wordt echt een enorme slag gemaakt", zegt Van Dam.

Ook de economische afdeling van de Nederlandse ambassade in Polen kent voorbeelden van Nederlandse bedrijven die hun productie overhevelen van Azië.

Een Nederlands bedrijf, dat niet bij naam genoemd wil worden omdat het op het punt staat een voormalig Pools staatsbedrijf over te nemen, is van plan om na de overname de eigen productie van China te verplaatsen naar Polen.

Maar ook Aziatische bedrijven hebben Europa ontdekt. Zo maakt een Chinees fietsenbedrijf onderdelen in het noorden van Polen, terwijl weer een ander Chinees bedrijf koelkasten laat maken in het land.

De nabijheid van de West-Europese afzetmarkt is voor die bedrijven een belangrijke factor, maar ook voor hen spelen de transportkosten een steeds grotere rol.

Als zelfs Chinese bedrijven hun productie gaan verplaatsen naar Europa, kan Europa niet meer stuk.