In Nederland staat 'ondernemen' voor nieuwe kansen oppakken om zo als bedrijf te groeien.
Zo niet in Italië. Het afgelopen decennium is de Italiaanse economie in totaal slechts drie procent gegroeid, schrijft zakenkrant The Wall Street Journal in een reportage.
Eén van de oorzaken is een diepgewortelde cultuur onder de talrijke papa-en mamabedrijven om klein te blijven. Klein is fijn, want dan heb je niet te maken met strenge regelgeving rond onder andere werknemers. Zodra een bedrijf in Italië meer dan vijftien werknemers heeft, komt het in een strenger regime.
Liever klein
Klein betekent ook dat je zaken kunt blijven doen met een overzichtelijke kring van vertrouwde leveranciers én afnemers. Zakenpartners kortom die je vertrouwt, die betalen en die je niet meteen juridisch achtervolgen als ze iets niet bevalt. "Ons beleid is altijd geweest om niet te groeien", zegt de 64-jarige directeur van Dell'Orco, een Toscaanse maker van machines die tapijten kunnen recyclen. Hij wil niet te veel risico's lopen buiten de bestaande clientèle.
Italië is 'verjuridiseerd': procedures zijn talrijk en duren lang. Zo kost het afdwingen van een clausule in een contract, bij een juridisch conflict, gemiddeld 1.200 dagen, blijkt uit onderzoek van de Wereldbank. Vergunningen regelen voor een nieuw bedrijfsgebouw kost gemiddeld 258 dagen, tegen bijvoorbeeld 26 dagen in de VS.
Effect is dat ondernemers die winst maken, het geld liever spenderen aan een tweede huis of andere persoonlijke prettige zaken dan aan een investering in hun bedrijf. "Het model van het familiebedrijf is een mislukking, maar niemand wil het toegeven", zegt Enrico Ceccato in The Wall Street Journal. Hij runt een investeringsmaatschappij die zich ontfermt over bedrijven in nood.
Markt onderling verdelen
Daar komt nog iets bij: concurreren doen de Italiaanse bedrijven niet graag: ze verdelen de markt liever onderling, waarbij het ene bedrijf zich specialiseert in een heel specifiek product en een collega in een ander, dan dat ze hard de concurrentie met elkaar aangaan. Dat verstoort de lieve vrede.
Zo ook Dell'Orco. Terwijl buitenlandse concurrenten een heel gamma aan machines leveren, beperkt het familiebedrijfje zich tot één machine. Een collega in een regio verderop maakt een andere.
Het is in feite onderdeel van een systeem dat de 'distretti' wordt genoemd: een cluster van kleine bedrijven die nauw samenwerken rondom een bepaalde markt.
Ontwikkelingsmodel
Hoogleraar Antonio Riccardi van de Universiteit van Calabrië is overigens juist positief over dit systeem . In Het Financieele Dagblad noemt hij de distretti als voorbeeld voor ontwikkelingslanden, omdat het kleine bedrijven zonder toegang tot extern kapitaal in staat stelt te ondernemen. Riccardi is overigens namens de Italiaanse overheid coöordinator van distretti.
Maar critici noemen juist die distretti als één van de bronnen van de Italiaanse malaise. Buitenlandse concurrenten, met een grotere focus op export en jonge mensen aan boord, kopiëren niet zelden de Italiaanse producten en vagen hen weg op de wereldmarkt.
Berlusconi
Deze Italiaanse cultuur om concurrentie te vermijden is overigens ook onder grote bedrijven gangbaar. Of het nu nutsbedrijven zijn die nog altijd in een regio de dienst uitmaken, of grote concerns.
Silvio Berlusconi deed er als bedrijfstycoon graag aan mee, en ook als premier. Hij was het die voorkwam dat Alitalia in handen kwam van Air France, en hij gaf de luchtvaartmaatschappij het alleenrecht om de lucratieve route Rome-Milaan uit te baten.
Als nieuwe premier moet Mario Monti hervormen. Ingrijpend en op vele fronten. Niet in de laatste plaats in de regelgeving, maar dat vereist dat vakbonden én ondernemers veranderingen slikken.
Lees ook:
