“De op-één-na bekendste Edammer”, zo omschrijft directeur en eigenaar Niels Huber het bedrijf. “De kaas is niet in te halen.”

Met een omzet van 120 miljoen euro in 2008 is Boon Edam de grootste producent van draaideuren wereldwijd. Iets meer dan de helft van de deuren wordt in Nederland gemaakt, de rest in de vestigingen in de Verenigde Staten en China, de belangrijkste groeimarkt van het bedrijf.

Kwaliteit
“We zijn niet de goedkoopste, dus we moeten concurreren op kwaliteit. Voor de klant is het belangrijk dat een bouwproject zo soepel mogelijk wordt opgeleverd. Dat het op tijd is, binnen het budget, en dat de deur zo functioneert als afgesproken. De deur is het laatste wat geleverd wordt, die móet er zijn. Een aannemer wil geen twee weken wachten met opleveren en miljoenen euro’s verspillen omdat er geen draaideur is.”

Boon Edam is in 1873 opgericht door Gerrit Boon, toen was het nog een timmerbedrijf. Pas dertig jaar later, in 1903 produceerde Boon de eerste draaideur. Omdat hij geen opvolger kon vinden, besloot Boon het bedrijf te verkopen. Via een advertentie in de krant kwam hij terecht bij Koos Huber, de opa van Niels. Sindsdien is het bedrijf in handen van de familie Huber.

Derde generatie
Niels Huber is zich als lid van de derde generatie, terdege bewust van de vooroordelen die er heersen. “Ze zeggen altijd, de derde generatie verteert de pot. Maar dat is ook een drijfveer om het tegendeel te bewijzen.”

Als zijn belangrijkste bijdrage aan het bedrijf noemt hij het internationaliseren van het bedrijf: “Tien jaar geleden waren we een Nederlands bedrijf met veel export. Nu zijn we een echt internationaal bedrijf, met veel vestigingen in het buitenland.”

Om een Amerikaanse overname te financieren, kwam een deel van het bedrijf in handen van de Amerikaanse investeringsmaatschappij Brynwood. Het bedrijf bezat “een significant minderheidsaandeel.” Maar sinds december 2008 zijn alle aandelen weer in het bezit van de familie Huber.

Aandelen terugkopen
“Ongeveer een jaar geleden heb ik ze benaderd met de vraag of ik de aandelen terug kon kopen. Het ging toen erg goed met het bedrijf, de economie draaide op volle toeren, maar ik wist dat het ooit minder zou worden. Dan geeft een externe aandeelhouder onzekerheid en het leidt je gedachten af. Het is altijd onrustig als je te maken hebt met een partij waarvan je niet weet wat ze gaan doen. Om de rust en de continuïteit te garanderen, wilde ik het hele bedrijf in handen hebben.”

Op dit moment ziet Huber dat als zijn belangrijkste taak: De rust bewaren: “Iedereen is zich ervan bewust dat we in spannende tijden leven, er is een enorme sense of urgency. Maar je moet oppassen dat het niet omslaat in paniek en desoriëntatie. Dat doe je door je bij de feiten te houden. Dus, hoeveel offertes worden er aangevraagd, hoe lang duurt het procesvan offerte tot levering. Je moet niet in een depressie schieten door generalisatie. Oké, in de kranten staat dat de bouw is ingestort, maar dat betekent niet dat het overal slecht gaat. In bepaalde sectoren zit nog wel groei.”

Afbreukrisico
“Nu merken we nog niet zo heel veel van de recessie, we zitten aan het eind van de keten. Als er ergens een paal in de grond zit, komt er een gebouw te staan. Ook scheelt het dat we in een nichemarkt opereren. Onze markt is klein. Het nadeel daarvan is dat je in hoogconjunctuur niet heel hard kan groeien, maar het afbreukrisico is ook kleiner.”

Voor de toekomst noemt Huber de onafhankelijkheid als speerpunt. “Dat is voor mij een voorwaarde, dat we het op eigen houtje doen. Met mijn opvolging ben ik nog niet bezig, ik ben pas 38.” Huber heeft twee dochters waarvan de oudste negen is. “Ze twijfelt nog, of ze wil mijn baan, of die van de koffiejuffrouw.”

“Kinderen moeten doen wat ze willen, en naast het feit of ze het stokje over wíllen nemen, is er ook nog de kwestie van het kunnen. Het kan voor het kind en voor het bedrijf niet goed zijn. Er zijn immers 800 gezinnen van afhankelijk.”