Autobedrijf Kroymans ging failliet, net als modemerk Oilily, hotelketen Golden Tulip en vele andere ondernemingen. Gaat een bedrijf failliet dan wordt er door de rechter een curator aangewezen die de leiding overneemt. Zijn taak is het in korte tijd zoveel mogelijk onderdelen en spullen uit het bedrijf te verkopen om met het geld dat dit oplevert nog zoveel mogelijk schulden af te betalen.
De curatoren begint dus met inventariseren van wat er te koop is. Deze boedellijst is niet altijd openbaar. Geïnteresseerden in Oilily moeten eerst tekenen voor geheimhouding, voordat zij een wachtwoord krijgen dat toegang geeft tot een speciaal ingerichte V-room op internet waar alle informatie over de boedel te vinden is.
Doorstart
Curators verkopen het liefst zo groot mogelijke delen van een bedrijf in een keer, zodat een doorstart gemaakt kan worden. Dat levert over het algemeen namelijk het meeste op. "Wij proberen eerst de krenten mét de pap te verkopen, lukt dat niet dan verkopen we de krenten uit de pap", legt curator Marinus Pannevis werkzaam bij DLA Piper uit.
Het mooiste scenario is een doorstart. In de praktijk maakt echter maar 6,3 procent van de failliete bedrijven een doorstart, zo bleek eerder uit onderzoek van advocaat en registeraccountant Karin Luttikhuis verbonden aan de Universiteit van Tilburg.
Spullen verkopen
Lukt het niet om tot een doorstart te komen, waar het volgens het CNV nu naar uit ziet bij Kroymans, dan worden alle spullen los verkocht. Dit laatste gebeurde bijvoorbeeld bij internetspaarbank Icesave, waarvoor Pannevis als bewindvoerder optreedt. Iedereen die wilde, kon via internet bieden op bureaus, stoelen en lampen uit het Nederlandse kantoor.
Bij Kroymans zou het niet tot een doorstart komen omdat de curator het overnamebod te laag zou vinden, zo zei een CNV-bestuurder onlangs. Het lijkt er dus op dat hier de auto’s de verkoop in gaan.
In andere gevallen, kan dit anders zijn. Bij Oilily is het merk op zich het waardevolste van het bedrijf. Bij curator Marc Molhuysen, ook werkzaam bij DLA Piper, meldden zich al twintig geïnteresseerden voor een (al dan niet gedeeltelijke) doorstart van het failliete kledingmerk. Niet bekend is nog wat zij precies willen kopen. Dit kan alleen het merk zijn en bijvoorbeeld de ontwerpafdeling, maar ook het label, de ontwerpafdeling, alle Europese winkels, het personeel én de flagship store in Japan. De curator hoopt hier voor Koninginnedag uit te zijn.
Wie de geïnteresseerden zijn, kan Molhuysen niet zeggen. Maar het Financieele Dagblad meldde vorige week al dat het investeringsbedrijf Value8 van voormalig VEB-directeur Peter Paul de Vries één van de belangstellenden is.
Kopers
Over het algemeen zijn er vier typen kopers, legt curator Molhuysen uit: financiële partijen, startende ondernemers, branchegenoten (die vaak ook al in een eerder stadium interesse in het bedrijf hebben getoond) en de failliete ondernemer zelf.
In de praktijk zijn het vaakst de ondernemer zelf (denk aan Kip Caravans) of een branchegenoot die komen tot een doorstart. Dit zijn namelijk de partijen die het meeste verstand van de business hebben en het snelste kunnen inschatten wat er moet gebeuren om tot een succesvolle doorstart te komen.
De ervaring van de curatoren leert dat het vaker kleinere dan grotere partijen zijn, die met een failliet bedrijf tot een deal over een doorstart komen. Pannevis: "Grote partijen willen vaak allerlei zekerheden inbouwen. Ze bieden bijvoorbeeld onder voorwaarde dat de Raad van Commissarissen akkoord gaat. En die blijkt dan pas weer over acht weken bijeen te komen. Wij houden niet van voorbehouden. Kleine bedrijven kunnen over het algemeen sneller beslissen."
Snelheid
En snelheid is geboden. Een curator heeft doorgaans haast. Pannevis: "Een groot verschil met een gewone verkoop is dat in twee, drie weken alles geregeld moet zijn. Terwijl een normaal verkoopproces wel zes maanden kan duren. Dat is omdat er meer geld op gaat, naarmate het proces langer duurt. Ook valt het bedrijf dan verder uit elkaar. Personeel, klanten en leveranciers lopen weg." En dat is natuurlijk niet bevorderlijk voor een succesvolle doorstart en dus niet voor de verkoopprijs.
Dat een bedrijf eerder failliet ging, wil niet zeggen dat het niet succesvol kan zijn, zegt Pannevis. "Je ziet vaak dat een bedrijf failliet is gegaan omdat het zich heeft vertild aan 'buitenschoolse activiteiten'. Een bouwbedrijf is bijvoorbeeld ook een projectontwikkelaar begonnen, of een hotel heeft een bungalowpark gebouwd. Ga je terug naar de core business, dan kan een bedrijf vaak weer winstgevend worden."
Nog eens failliet
Het komt echter ook voor dat dezelfde ondernemer nog een keer failliet gaat. Air Holland 'struikelde' bijvoorbeeld twee keer. Pannevis: "Er wordt wel eens gegrapt dat een hotel twee keer failliet moet gaan, voordat het succesvol is. De eerste bouwt het voor honderd, maar dat bleek te veel. De tweede koopt het voor zestig, nog te veel. Pas als de derde het voor dertig koopt, gaat het goed."