Dat schrijft het Britse weekblad The Economist in de editie van 25 november.
Het weekblad vergelijkt periodiek de verhouding tussen huizenprijzen, inkomens en huurtarieven in zestien westerse landen. Daarbij kijkt The Economist in hoeverre actuele prijsverhoudingen afwijken van het lange-termijngemiddelde. Als de verhouding tussen het gemiddelde inkomen en de gemiddelde huizenprijs historisch bijvoorbeeld één op vier is, en maar bij de meest recente meting één op zes, dan is dat een aanwijzing voor overwaardering.
Nederland hoort bij een groep van acht landen waar de huizen meer dan 20 procent zijn overgewaardeerd ten opzichte van het historische gemiddelde. Tot die groep behoren ook Groot-Brittannië, Spanje en Zweden (zie deze grafiek).
In België, Frankrijk, Canada en Australië zijn huizen volgens de maatstaven van The Economist het duurst. In deze landen is de overwaardering groter dan in Amerika op het hoogtepunt van de huizenbubbel.
In Duitsland, de Verenigde Staten en Japan zijn huizenprijzen juist ondergewaardeerd.
Lage rente
The Economist erkent dat een daling van hypotheekrentes huizenkopers in sommige landen meer speelruimte kan geven, maar merkt ook op dat rentes niet laag hoeven te blijven. Bovendien staan tegenover lagere hypotheekrentes in zwakke economische tijden vaak ook krappere inkomens.
Nederland zit volgens The Economist samen met Australië, België Canada, Nieuw-Zeeland, Spanje en Zweden bij de landen met relatief hoge hypotheekschulden in verhouding tot het inkomen.
Het kan overigens jaren duren voordat onder- en de overwaardering worden gecorrigeerd, stelt The Economist. In Groot-Brittannië schoten huizenprijzen in het midden jaren 1990 van forse overwaardering naar stevige onderwaardering. Het duurde toen enkele jaren tot de prijzen weer gingen stijgen.
Lees ook:
Hypotheekgarantie langer op 350.000 euro
NHG: geen grote problemen op hypotheekmarkt
