De Nederlandsche Bank verplicht 125 pensioenfondsen om hun financiële zaken op orde brengen. Hoogstwaarschijnlijk doen ze dat door de pensioenuitkeringen te verlagen. De maatregel zou zo'n 8 miljoen deelnemers kunnen treffen. Dat is inclusief een dubbeltelling voor degenen die bij meerdere pensioenfondsen een pensioen hebben opgebouwd.
Kern van het probleem is dat de geschatte toekomstige uitkeringsverplichtingen van pensioenfondsen te veel uit de pas zijn gaan lopen met het vermogen, en inschattingen over het beleggingsrendement dat daarmee behaald kan worden.
Versterking van de pensioenbuffers kan in principe op drie manieren plaatsvinden. Door werknemers en werkgevers extra premie te laten storten in de pensioenkas, door uitkeringen aan gepensioneerden en de opbouw voor werkenden niet automatisch te laten meestijgen met de lonen, en als laatste: door regelrecht te korten op de pensioenuiteringen. Dat laatste ligt nu voor de hand omdat de andere methodes meestal al benut zijn.
Gepensioneerden moeten zo'n korting rechtstreeks incasseren. Als de pensioenuitkering wordt beperkt - in jargon 'afstempelen' - kunnen ze zich daar niet tegen indekken.
Opbouw werknemer
Maar ook voor werknemers die deelnemen aan een pensioenregeling, kan afstempelen grote gevolgen hebben. Dat zit zo.
Bij veel pensioenregelingen wordt een voorwaardelijke toezegging gedaan. Die luidt bijvoorbeeld: op je 65ste krijg je een uitkering van 70 procent van het gemiddeld verdiende loon. Wat betekent dat?
Stel: het gemiddelde brutoloon is 40 duizend euro. Zeventig procent daarvan is 28 duizend euro. Dit bedrag is echter niet het eindstation. Pensioenfondsen houden ook nog rekening met de toekomstige AOW-uitkering, en hanteren hiervoor een aftrek, de zogenoemde 'franchise'.
Is de franchise tienduizend euro, dan zegt het pensioenfonds van de werkgever eigenlijk: wij proberen jaarlijks een bedrag van 28 duizend minus tienduizend euro, ofwel 18 duizend euro uit te keren als je 65 wordt - hopelijk in waardevaste vorm.
Afstempelen
Hoe werkt het afstempelen dan? Op het moment dat een pensioenfonds de uitkering voor gepensioneerden verlaagt, ligt het voor de hand ook de toezegging voor werknemers te beperken. Het gemiddelde percentage bij de betrokken pensioenfondsen ligt op 2,5 procent. Met een maximum van 7 procent.
Bij een korting van 7 procent over het toegezegde pensioen, komt dit in het bovenstaande voorbeeld voor de werknemer neer op een bedrag van circa 1.260 euro. Dat wil zeggen: de opbouw voor een jaarlijkse uitkering van 1.260 euro vanaf je 65ste wordt geschrapt.
Herstel of zelf sparen?
Wat valt daaraan te doen? Ben je een rasoptimist, dan kun je erop gokken dat de financiële situatie van het pensioenfonds over een paar jaar zozeer is verbeterd - bijvoorbeeld door mooie beleggingswinsten - dat het fonds in staat is om de oude toezegging van 70 procent van je loon als pensioen alsnog gestand te doen.
Wie daar niet op vertrouwt, moet afhankelijk van de hoogte van de korting, bepalen of hij het erg vindt dat het pensioen wat kariger uitvalt. Zo ja, dan moet de werknemer zelf aan de slag met een persoonlijke pensioenpot.
Een korting van 1.260 euro bruto betekent bijvoorbeeld dat je bij een belastingdruk van 24 procent, netto een gat van zo'n 958 euro per jaar hebt. Via een vrije pensioenopbouw in belastingbox III, betekent dit dat een bedrag van ongeveer 32 duizend euro nodig is, dat jaarlijks een schoon rendement van drie procent oplevert - dus na aftrek van de de vermogensheffing van 1,2 procent in box III en rekening houdend met de inflatie.
Als pensioenfondsen gaan korten op de uitkeringen, moeten werknemers dus net zo goed opletten als de ouderen.
(dit is een aangepast versie van het artikel 'Pensioen afstempelen: wat betekent dat voor jou' van 10 augustus 2010.)
Lees ook:
Mathijs Bouman: jouw pensioen bestaat niet
Opinie Mathijs Bouman: Laat de ouderen bloeden
Analyse Jeroen de Boer: Griekse crisis drijft pensioenpremie op


